Paul Scheffer: De grens is bereikt

15-04-2016 Nederlands Dagblad  Om de epidemie aan hekken en muren in Europa terug te dringen, moeten er weer grenzen worden gesteld. Ook dient er een serieus politiek alternatief te komen voor de roep om terugkeer naar nationale grenzen. Zo niet, dan brokkelt de EU gegarandeerd af, is de overtuiging van Paul Scheffer.

Hij is er niet gerust op, bekent publicist Paul Scheffer in zijn Amsterdamse werkkamer met uitzicht op de Amstel. Ter gelegenheid van de Maand van de Filosofie met als thema ’Over de grens’ schreef Scheffer het essay ‘De vrijheid van de grens’. Het is een pleidooi om grenzen weer op hun waarde te schatten, omdat zonder grenzen geen vrijheid én geen veiligheid mogelijk is. Maar de huidige generatie politici is te veel bezig met crisisbeheersing, zonder coherente visie op de toekomst van de Europese Unie.

Ondertussen wint de roep om terugkeer naar de nationale grenzen en ontmanteling van de EU terrein. Niet alleen bij het lager opgeleide deel van de bevolking, ook in de middenklasse en bij de intellectuele bovenlaag. ‘Ik kom in mijn eigen omgeving veel mensen tegen die vroeger vertrouwen in Europa hadden, maar dat zijn kwijtgeraakt. Die instemming was lang niet altijd beredeneerd en vaak vanuit de onderbuik. Nu is daarvoor bij velen een basaal gevoel in de plaats gekomen dat deze Europese Unie ons meer kost dan oplevert en dat de EU onze veiligheid niet kan garanderen. Ik begrijp daarom de roep om terugkeer naar de nationale staten, die achter het Oekraïne-referendum zit. Zelf vind ik dat absoluut geen wenkend perspectief, maar als we weerwerk willen bieden, moeten we met een goed verhaal komen, waarin we de gemeenschappelijke grenzen in Europa serieus nemen. Want als we zo doorgaan, redden we het niet.’

U beschrijft hoe uw eigen leven door het verschijnsel ‘grenzen’ reis bepaald. Nadenken over grenzen is voor u niet slechts een intellectuele oefening?

‘Absoluut niet. Ik heb al vroeg met grenzen te maken gekregen en dat heeft mijn denken gevormd. Mijn grootvader van moederskant was Joods, afkomstig uit Duitsland en mijn ouders hebben in de Tweede Wereldoorlog veel meegemaakt. In mijn jeugd woonden we dicht bij de Duitse grens, maar het was voor ons absoluut taboe om die grens over te steken.

Een andere grens betrof de godsdienst, waar mijn ouders zeer vijandig tegenover stonden. Als scholier kocht ik een bijbel omdat ik er gewoon in geïnteresseerd was. Onze cultuur is er immers door bepaald. Van mijn moeder kreeg ik toen de wind van voren: zo’n boek wilde ze niet in huis. Dan had ik beter Jan Wolkers kunnen kopen.

Ik ben nog steeds ongelovig, maar heb zelf die weerzin tegen godsdienst niet. Ook de gedachte dat een samenleving beter af zou zijn zonder religie snap ik niet. Ik kan me geen open samenleving zonder godsdienst voorstellen. Het gaat erom hoe mensen met hun geloof of ongeloof omgaan.’

U hebt in Parijs en Warschau als correspondent gewerkt. Wat leerde u daar over grenzen?

‘Het was voor mij een ontdekking te zien hoe leeg het kosmopolitisme van veel Nederlanders is. Velen noemen zich wereldburger of Europeaan, maar vinden dat Europa een soort Nederland is of moet zijn: ons land als het verlichte gidsland. Deze zelfbenoemde kosmopolieten doen net alsof er geen grenzen bestaan. Dat is een naïeve houding die getuigt van hoogmoed. Want als je in Warschau of Parijs bent, merk je dat de mensen daar heel anders over Europa denken en ook hun eigen ideeën op de EU projecteren.

Ik heb gemerkt dat het lastig is je echt in de cultuur, de tradities en de trauma’s van andere landen te verdiepen en die te begrijpen. Als dat al met Duitsland en Frankrijk zo moeilijk is, dan zeker met Griekenland of Bulgarije. Aan mensen die vol zijn van Europa en de Europese cultuur, vraag ik altijd: dan ben je zeker geïnteresseerd in België? Dat snappen ze niet, maar als één land op Europa lijkt, is het België met zijn verschillen en problemen tussen Walen en Vlamingen.’

Mensen moeten beseffen dat er grenzen en verschillen bestaan, en deze serieus nemen?

‘Ja, maar dat gebeurt vaak niet. Voor mijn artikel ‘Het multiculturele drama’ in 2000 en het boek Het land van aankomst in 2007 heb ik me verdiept in het debat over migratie. Ook toen kwam ik dezelfde leegheid tegen van hoogopgeleide Amsterdammers die zich wereldburger noemen. Ze kennen de weg in Manhattan, maar zijn hier nog nooit de ringweg overgestoken om te zien hoe het er in wijken met veel migranten aan toe gaat. Ze zijn goed in het verzamelen van airmiles, maar hebben nog nooit de metro naar de Bijlmer genomen. En ondertussen zeggen ze blij te zijn dat we nu de Turkse cultuur in Nederland hebben. Maar ze vergeten dat de Turkse migranten die naar Nederland kwamen, vaak onvoldoende konden lezen of schrijven. Het waren mensen die je toch moeilijk kunt zien als de dragers van de Turkse cultuur.’

Toch draagt uw essay de positieve titel ‘De vrijheid van de grens’. Waarom?

‘Wie de EU en internationale problemen wil begrijpen, moet ook snappen dat het hebben van grenzen in de praktijk veiligheid betekent. Zoals elke gemeenschap bestaat de EU uit een ‘binnen’ en een ‘buiten’ en zijn de grenzen daartussen van essentieel belang. Zeker omdat we als Europese samenlevingen open en liberaal zijn, maar omringd worden door allerlei staten in verval zoals Libië, Oekraïne, Syrië en Georgië. We kunnen het ons niet veroorloven de Europese buitengrenzen zo te verwaarlozen als we de afgelopen decennia hebben gedaan. Uit de droom dat onze liberale manier van leven toch wel de wereld zou veroveren, zijn we inmiddels ruw wakker geworden.’

Hoe kijkt u aan tegen het plaatsen van muren op de grens, zoals de Hongaarse premier Viktor Orbán dat heeft laten doen?

‘De epidemie aan hekken en muren bij de binnengrenzen van Europa is een uitvloeisel van het feit dat we onze buitengrenzen niet goed onderhouden hebben. Muren zijn er om mensen koste wat het kost tegen te houden, grenzen zijn er om het grensverkeer te reguleren. Velen zeggen dat we een grenzeloze gastvrijheid richting vluchtelingen moeten hebben. Europa zou op een bevolking van 500 miljoen mensen best één miljoen vluchtelingen kunnen opvangen, omdat Turkije in zijn eentje ook 2,7 miljoen vluchtelingen herbergt. Maar achter deze redenering zitten twee fouten. Allereerst zijn het in de praktijk slechts acht EU-landen die vluchtelingen opvangen en komen die asielzoekers vooral in de grote steden terecht. In de tweede plaats bieden we in de EU een hogere levensstandaard aan mensen die als nieuwe burgers worden toegelaten dan in Turkije. We moeten onderscheid maken tussen mensenrechten die in de hele wereld gelden en burgerrechten die in de EU vrij hoog liggen.

Dat zorgt voor een enorm moreel dilemma. Want als wij iedereen als burger zouden toelaten die in humanitair opzicht tekortkomt, kunnen we de burgerrechten aan de huidige inwoners niet meer garanderen, wat tot grote onvrede leidt.

Het is niet voor niets dat klassieke immigratielanden als Canada en de VS een beperktere verzorgingsstaat hebben. Dat is ook de drijfveer achter het populisme, dat ik eerder zie als protectionisme: de roep om bescherming. Te veel asielzoekers accepteren zou tot maatschappelijke spanningen leiden. Dus de roep om een bovengrens, zoals in Oostenrijk, kan ik goed begrijpen. Om het populisme te bestrijden moeten we de beweegredenen erachter begrijpen. Er moet een evenwicht zijn tussen zorg voor de noden van vluchtelingen en die van de huidige burgers. Daarover moet het debat gaan: in mijn essay zoek ik een weg tussen de roep om gesloten en de roep om open grenzen.’

Begrijpt u ook de roep om ontmanteling van de Europese Unie, zoals onder anderen Geert Wilders, Thierry Baudet, maar ook Marine Le Pen bepleiten?

‘Ik vind het een begrijpelijke roep, maar ondersteun hem niet. De wereld is zo veranderd en verweven, dat we als Nederland alleen alle ­problemen als terrorisme, energiecrisis en ­eurocrisis niet kunnen oplossen. Ook steun ik de roep om een mini-Schengen of een kleine eurogroep niet, want dan zouden we landen in Zuid- en Oost-Europa, die zich in de jaren zeventig en daarna van verschillende dictaturen hebben ontdaan, weer in de armen jagen van gebrekkige staten of autoritaire regimes als Turkije en Rusland. Dan halen we de instabiliteit naar ons toe.

Tegelijk ben ik ervan overtuigd dat we in ­Europa op de huidige weg niet verder kunnen gaan. Er staat, behalve het niet-reële pleidooi van mensen als Guy Verhofstadt voor een federale EU, geen geloofwaardig politiek project tegenover de roep om terugkeer naar de natiestaten. De manier waarop er nu met voortdurend crisismanagement bestuurd wordt, schiet tekort. Neem de vluchtelingendeal met Turkije: omdat we onze buitengrenzen niet op orde hebben, leggen we de toestroom van vluchtelingen in handen van een autoritaire leider als Erdogan en zeggen daarmee: zelf kunnen we het niet.’

Wat moet er gebeuren?

‘Allereerst moeten we vaststellen dat de buitengrenzen van de EU voorlopig vastliggen. Dat betekent dat we uitspreken dat Turkije en ­Oekraïne de eerste twintig jaar geen EU-lid worden. Waarschijnlijk gaat Nederland dat nu voor Oekraïne bepleiten na de uitslag van het referendum, maar dit had daarvoor al gemoeten.

Verder vind ik dat er de komende jaren een diepgaand gesprek moet worden gevoerd over de vraag hoe de Europese Unie eruit moet zien. Die vraag naar de uiteindelijke politieke vorm is altijd ontweken. Maar als de regering – ook in andere landen – niet met een helder idee daarover komt en telkens ad hoc op de onvrede over Europa reageert, zullen de voorstanders van ontmanteling van de Unie eens de meerderheid krijgen. En dan niet alleen bij referenda, maar ook bij gewone verkiezingen.

Zo’n debat over de toekomstige vorm van de EU zou moeten leiden tot een referendum.

In Nederland moet over een aantal jaar – net als nu in Groot-Brittannië – een volksraadpleging worden gehouden over de existentiële vraag: willen wij lid zijn van de Europese Unie of niet? Het is hoognodig om een nieuwe legitimatie te vinden voor de Europese eenwording.

We zullen deze discussie over onze plaats in de Europese Unie en over het type EU de komende vijf jaar tot op de bodem moeten voeren, want het wantrouwen is groot.

Als we de huidige weg van sluipende soevereiniteitsoverdracht en conflictvermijding doorzetten, zonder een essentieel debat daarover en uiteindelijk de steun van de burgers, zal dat de kortste weg zijn naar het uiteenvallen van de Europese Unie.’ ■

N.a.v. De vrijheid van de grens
Paul Scheffer, Stichting Maand van de Filosofie. Amsterdam 2016. 126 blz. € 4,95

auteur Marc Janssens