Stop de hobbyjacht? zet burgers op het verkeerde been!

28-11-2016 commissie NLM Suggestieve vraagstelling zet burgers op het verkeerde been! Het burgerinitiatief vraagt de provincie alles te doen wat binnen haar bevoegdheden ligt om de jacht op de vrij bejaagbare diersoorten stop te zetten. Ten eerste is de provincie daartoe niet bevoegd (zie hieronder), ten tweede voorziet de jacht in een noodzakelijke functie met een maatschappelijk doel n.l. het handhaven van een redelijke wildstand in een jachtgebied en het voorkomen van (vraat)schade.

Herkennen wij de probleemstelling in het burgerinitiatief?
Wat zijn de feiten; de jacht, ook die op ‘de vijf soorten’ (lees houtduif, haas, konijn, fazant en wilde eend) wordt alleen toegestaan als daarvoor een maatschappelijk doel bestaat. Daarom zetten begrippen als “stop de hobbyjacht” en “jacht zonder noodzaak” die suggereren dat het mogelijk zou zijn om “zomaar” of “uit liefhebberij” dieren te doden, burgers op het verkeerde been.
De jacht op de vijf soorten, faunabeheer genoemd, is onderdeel van een faunabeheerplan. Faunabeheer wordt met trendtellingen van het aantal dieren in een jachtveld onderbouwd en door een faunabeheereenheid waarin o.a. natuurbeheerders zitting hebben opgesteld. Het faunabeheerplan moet vervolgens door Gedeputeerde Staten worden goedgekeurd. Zowel inhoudelijk als procedureel waarborgt dit dat jacht uitsluitend wordt toegestaan als daarvoor een maatschappelijke noodzaak bestaat.

Mag de provincie binnen haar jurisdictie aan een faunabeheerplan zodanige regels stellen dat dit resulteert in een beperking of zelfs verbod van de jacht?
Citaat uit de brief van staatssecretaris van Dam aan de voorzitter van de Eerste Kamer d.d. 7 oktober 2016 inzake beantwoording vragen PvdD: “De bevoegdheden reiken dus niet zo ver dat provincies het recht van de jachthouder op het uitoefenen van de jacht verdergaand kunnen beperken of zelfs ontzeggen.” Het antwoord op de vraag is dus nee.

Is duidelijk wat onder een redelijke wildstand moet worden verstaan?
Dat het is bereiken van een “fair balance” tussen waarden en belangen die met faunabeheer samenhangen. Wat dat inhoudt volgt uit de door staatssecretaris van Dam gegeven definitie van een redelijke wildstand:
Bij een redelijke wildstand in een jachtveld is het niveau van de wildstand zodanig dat deze bijdraagt aan het voorkomen van schade zonder dat de staat van instandhouding van de soort daar onder te lijden heeft.” Het antwoord is ja, het is helder wat onder een redelijke wildstand moet worden verstaan.

Zijn er nadere regels nodig inzake de omvang van het afschot?
Meer dieren doden dan nodig brengt het voortbestaan van wildpopulaties in het veld in gevaar en bij te weinig afschot is de jachthouder aansprakelijk voor de schade die het wild in zijn jachtveld bij derden aanricht. De vraag kan ontkennend worden beantwoord; inzake de omvang van het afschot zijn het maatschappelijk belang en dat van de jachthouder naar onze mening in balans. Het feit dat er wildpopulaties zijn toont immers aan dat de huidige vorm van faunabeheer die kennelijk niet in de weg staat.

Auteur Bruno Bouberg Wilson
lid provinciale commissie NLM
voor de
Ouderenpartij NH