Ouderen betalen prijs voor getalm met AOW

12-07-2017 De Telegraaf Voor de Prinsjesdagkrant van 2004 interviewde ik destijds minister Gerrit Zalm van Financiën. In zijn Miljoenennota ging hij in op de effecten van de vergrijzing en werd verhoging van de AOW-leeftijd als optie genoemd. Op de vraag of het kabinet daarop wilde voorsorteren, zei Zalm: „Het is interessant om er eens naar te kijken.”

Maar de directe noodzaak zag hij niet. „Zolang we in de leeftijdscategorie van 55 tot 65 jaar een lage arbeidsdeelname hebben, heeft praten over het verhogen van de AOW-leeftijd niet zo veel zin.” Hij sloot af met de dooddoener: „Laten we kijken of het in het verkiezingsprogramma van iemand terechtkomt.”

Het toenmalige kabinet-Balkenende 2 was wel bezig met het afschaffen van vut en prepensioen, ook niet onbelangrijk. Die regelingen dreigden aan hun succes ten onder te gaan. Te duur, veel te duur. Maar ergerniswekkend is dat politiek Den Haag toen allang wist dat de verhoging van de AOW-leeftijd ook noodzakelijk was, maar dat het wegens te gevoelig werd doorgeschoven.
Wat is de uitkomst van dit politiek getalm? Dat pas in een later kabinet na veel gesteggel er overeenstemming kwam tussen Jan Peter Balkende en Wouter Bos over een hogere AOW-leeftijd. Dat die verhoging er pas onder Mark Rutte kwam en dat hij vervolgens die verhoging heeft versneld.

In 2004 sprak Zalm nog de wijze woorden: „Als een kabinet ooit deze richting in wil gaan, dan zal dat een extreem geleidelijke ontwikkeling moeten zijn.” Maar door dit besluit steeds maar door te schuiven is daar uiteindelijk absoluut geen sprake. De AOW-leeftijd gaat in hoog tempo naar 67 jaar en daarna volgt die de ontwikkeling van de levensverwachting.
Dit betekent dat oudere werknemers in een zeer korte periode heel veel langer moeten gaan werken. Maar door de late invoering en daarmee het noodzakelijke snelle tempo heeft de arbeidsmarkt – de bedrijven en de betreffende werknemers – zich nog niet geprepareerd op de nieuwe werkelijkheid.

Gevolg is dat ouderen wel moeten doorwerken, maar dat er nog geen volwassen arbeidsmarkt voor 0uderen is. Dit is op twee manieren pijnlijk zichtbaar: 1) de arbeidsmarktkansen van werkloze ouderen zijn abominabel – eenmaal werkloos geraakt is er voor veel ouderen ook na honderd sollicitaties amper zicht op werk en 2) werknemers in de bouw, metaal en andere zware beroepen raken arbeidsongeschikt omdat ze hun fysieke werk geen 45 jaar of nog langer kunnen volhouden.

Oplossingen zijn voorlopig niet voorhanden. Voor zware beroepen is nog geen betaalbare regeling bedacht en oudere werklozen moeten het doen met een goedbedoelende ’ambassadeur ouderenwerkloosheid’. Waarom is zo’n evidente maatregel zo lang uitgesteld? Waarom is de kans gemist om een hogere pensioenleeftijd eerder maar dan ook langzamer in te voeren? Nu betalen ouderen een pijnlijke prijs.

Auteur Martin Visser