Het is andersom: ouderen bloeden voor het pensioen van jongeren

13-01-2020  Trouw   Bewust heeft de overheid gekozen het belang van jongeren voorop te stellen, schrijft econoom Jan van Bolhuis.

Jongeren zouden het pensioen van de ouderen betalen, lezen we vaak. De vraag die daar bij hoort is of er later nog wel genoeg voor jongeren is overgebleven.

Bij de AOW worden de uitkeringen voor mensen met pensioen, opgebracht door burgers die werken. Zijn er veel ouderen, dan moeten de werkenden dus meer afdragen. Dat zou een onaanvaardbare aanslag op hun besteedbaar inkomen kunnen zijn. Wat werkenden te weinig bijdragen wordt daarom gedekt uit de algemene middelen.
Bij pensioenen is dat heel anders. Daar betaalt iedereen premie, uit die potten en het rendement dat daarop wordt gemaakt wordt het pensioen betaald. Eigenlijk zou er altijd genoeg moeten zijn voor alle pensioendeelnemers. Jongeren hoeven dus niet voor ouderen te betalen. Toch lijkt dat anders te zijn.
Wat is er aan de hand? Het pensioen wordt betaald uit enerzijds de premies, anderzijds het beleggingsresultaat dat met die premies behaald wordt. Is er een te lage dekking, dan is er óf te weinig premie betaald, óf het rendement van de beleggingen is te laag.
Bij de premievaststelling hebben overheid, vakbonden en werkgevers directe invloed. Alle drie deze partijen is er veel aan gelegen arbeidsonrust te voorkomen en lage premies betekenen dat er meer geld overblijft voor de werknemer om te besteden. Het zou best zo kunnen zijn dat de premies systematisch te laag zijn vastgesteld.
Deze uitkomst was onvermijdelijk.

Maar ook de beleggingsopbrengsten leggen gewicht in de schaal. Die opbrengst kan niet in een overleg vastgesteld worden, maar is afhankelijk van de echte resultaten. En we weten allemaal dat resultaten uit het verleden geen garantie bieden voor de toekomst. Om te bepalen wat de premie moet zijn, zal toch een inschatting gemaakt moeten worden van die toekomstige opbrengsten. Voor die inschatting wordt gebruik gemaakt van een bankrente. Om niet te veel afhankelijk te zijn van een toevallige uitschieter wordt uitgegaan van de gemiddelde bankrente over de laatste tien jaar. En dat is gek. Iedereen weet dat pensioenfondsen hun geld niet op een spaarrekening bij een bank zetten. Je zou dus ook kunnen uitgaan van de gemiddelde regenval in de maand augustus van de laatste tien jaar. Nog nét iets minder relevant, maar niet veel.

Door uit te gaan van een lage rente, die door de Europese Centrale Bank kunstmatig laag gehouden wordt, ontstaan bij deze rekenmethode grote tekorten. Daardoor kunnen de pensioenen niet meegroeien met de prijzen en dreigen er zelfs kortingen. De rekenmethode leidt tot steeds hogere buffers, omdat de ouderen niet mogen profiteren van het rendement dat met hun premies wordt gemaakt. Van datzelfde rendement zullen jongeren, zodra de rente weer stijgt, straks voordeel trekken. Tenminste, wanneer de overheid niet net als in het verleden vindt dat de buffers te hoog zijn en ze inpikt, daarmee uitgesteld loon onteigenend.

Het systeem is zo ontworpen dat deze uitkomst onvermijdelijk was. Dat wist de overheid, want bij introductie van het huidige stelsel zei staatssecretaris Klijnsma ronduit dat dit betekende dat in een reeks van jaren niet geïndexeerd kon worden. Bij kritische beschouwing blijkt dus dat juist de ouderen bloeden voor de jongeren. Sterker, dat het kabinet dat weet en daar bewust voor kiest.
Wanneer we uitgaan van de werkelijke rendementen over de afgelopen tien jaar is er helemaal geen pensioenprobleem. En wanneer je helemaal veilig wilt zijn, neem je 75 procent van de rendementen.
Bovendien moeten de premies door de pensioenfondsen onafhankelijk worden vastgesteld, ze horen geen deel uit te maken van cao-overleg.
Om dezelfde reden horen werkgevers en vakbonden niet in de pensioenbesturen te zitten, ze hebben belangen die strijdig kunnen zijn met die van het pensioenfonds.